GIJS HUIZINGA

TEKSTEN

Deze teksen heb ik samen met Frank (een goede vriend van mij) gemaakt. De teksten komen tot stand door om de beurt een zin te schrijven totdat we een voledige tekst hebben. We zijn geinspireerd door de manier waarop Dadaïsten hun gedichten maakte. Van sommige teksten maken we ook een hoospel, zodat de tekst meer tot zijn recht komt.


De poedelnaakte fakkel bakker

Wat bakt die poedelnaakte fakkel bakker? De poedelnaakte fakkel bakker bakte fakkels poedelnaakt bij een grote kooloven. Kracht en wellust waren hem de meester.

Meester Kracht was meester fakkel bakker. Alom lof voor die kracht van de fakkel bakker. Alom loofbomen waren het materiaal voor fakkel bakkers. Poedelnaakte fakkel bakkers. fak de ijspegels. Alom lofzang van de klapperende fakkeltanden, geen stevige tepels, geen ijspegels. Echte poedelnaakte fakkel bakkers hebben hangende tepels, zachte tanden. Poedelnaakte fakkellepels, klapperpegels, pappa-tepels. Klagend klepperend klaagde kracht over de verkoolde fakkel. De prangende fakkel smeuend door de kracht van de poedelnaakte fakkel bakker, macht.

mekkerend makaber mengde macht matten was. Zalig verzacht door het matte zoet, gapend aan de vingertoppen van de poedelnaakte fakkelbakker. klevend kloofde de mat kriebelig aan de droge vingertoppen van de poedelnaakte fakkel bakker. En hoe zijn macht, zijn ongematigde macht, krioelend door het kisperend naakt van de verkoolde fakkel, karig zijn vingertoppen bezaten. besloot macht de matige poedel naakte fakkel bakker matig de vingertoppen masserend in zijn matig maakabere handen te nemen. Poedelnaakt? Heus. Overmacht? Faliekant. Kreupel kleverig mannetje met haar als schaam haar, vingertoppen met de was weg getrokken, allemaal door dat makabere gemengde matige was van macht, de overmacht. De makabere kooloven in lichterlaaien, zijn aaibare vingertoppen nader: klapperpegels, koolstofdekens, één lome long.


OBSESSIEJONGEN

WE LEVEN IN EEN KLAAGZANG

SUPERMARKUT

De Fristi lijkt niet roze door het blauwe glas. Dat bedrieglijke blauwe glas ook altijd, slaat me elke keer voor de kop so. M’’n lippen wateren als moet denken aan de fristi, maar het blauw houd me tegen. Ik zeg maar altijd zo, ik wil m’n fristi roze of ik wil m’n fristi niet. Dat auwe ding mompelt ma als ze de piepen deur door loopt, ze heeft het over mij. Godverdomme ma ik zit me toch een video op te nemen, je ondermijnt mij. Ik hoor niets meer van ma, alleen het geklap van het slagersmes op hout of bot in de betegelde achterkamer. Mijn fristi staart me levenloos aan, het weet dat het mij zit te stangen terwijl het zich verstopt in dat blauwe glas. Dat auwe ding \eg ik tegen de levenlose fristi, terwijl hij net uit het pak is. Ga je me nu ook nog napraten, kermt mama vanachter de vleesmolen. Ik waag het er toch op en neem met bittere tegenzin een klein nipje van de fristi, het smaakt naar perzik. Ik voel mijn vuisten ballen onder de plastic tuintafel, maar ik zeg niks tegen mama, ik heb de volle concentratie op dit nep-roze melkje gericht. Ik geef het een 10+. Als je broer hier nog was geweest dan zaten we niet meer in dit godvergeten kot, dit aan gruzelementen gevreten slagerskot, zei mama tegen de leverworsten op het aanrecht. De broer was namelijk ook netals het voorproduct van de worsten in een fraai maal mechnisme beland, we weten eigenlijk niet of iemand dat nou heeft geproeft. Ik richtte elke gedachte aan mijn broer hardvochtig op dat blauwe rinkelkinkelglaasje, hoe lekker het zou klinken als dat glas zou kapot barsten in mijn gebalde vuist, hoe smakelijk de nep-roze plas op de grond zou smeulen. Het zou de smeulende nep-roze vlek overtijd ook meer echt roze laten worden, dat gebeurt ook altijd met het witte sop in de ruimte waar mama in staat. Mijn imaginaire roze poel drijft weg wanneer mama ineens het geslepen vetmes in mijn handen duwt. Nu is het gedaan met de pret. Jouw broer kon tenminste normaal een biefstuk bakken, normaal de kroketten rangschikken, normaal tegen mama en papa praten, maar dat kan nu niet meer he! Ik voel het vet mes zo hard tegen de tuintafel aan duwen dat het puntje zich een weg heeft gevonden naar de bovenkant, toevallig onder het blauwe glas met nep. Denk jij dat wij gelukkig zijn zo, he, dat mama en papa het makkelijk hebben, zonder een zoon die wél een vleesmolen kan bedienen, die niet zomaar “ongelukjes” laat gebeuren. IK voel de kwade adem van mijn moeder als prikkeldraad in mijn nek liggen, ik schrik er van en manuvreer het mes in een schone bewegen door het goedkope plasic heen. Het was ook JOUW broer he, dat je het weet, je moet niet denken dat het zomaar ineens allemaal makkelijker wordt, dat er sukadelappen op onze rug groeien, terwijl je daar maar zit te hoeren met die del van jou, redbull gevoede hangtetten. Het blauw glas vliegt van het plastic af richting de prikkeldraad adem van mijn moeder, valt hier doorheen en beland in haar giegel, ze geeft het een 10+. GODVERDOMME PIETER, maar ze schrikt meer dan dat ze boos is, GODNAKENDE JUS D’ORANGE. Zou de schrik zijn gekomen omdat ze ook niet verwacht had dat fristi lekker zou zijn als het niet roze is? DIT ROZE IS NEP, PIETER, NEP, ZO ZIET ROZE ER NIET ECHT UIT, ROZE IS VLEES, ROZE IS BIEFSTUK OP EEN ZONDAGOCHTEND, ROZE IS BOTERBLOEMEN PLUKKEN IN EEN CHINESE TUIN, ROZE IS JE LIEFDE KNUFFELEN OP EEN GRETIGE DAG, ROZE IS JE PEUK UITMAKEN IN HET ZAND, ROZE IS DE GEHAKTMOLEN OP JE ERGSTE DOEMSDAG. ROZE IS HET OPENEN VAN DE KOELKAST, ROZE IS WEZENLOOS DWARRELEN IN MIJN HOOFD, ROZE IS DE KALE PLEK OP JE VADERS HOOFD, ROZE IS ALLES WAT ONDER MIJN KLEDING VERSCHUILD, ROZE IS, ROZE IS DE DUIVEL. Mama’s ogen verkoolde in een blik, zo droef, zo diep diep droef, afgewend in de helse reflectie van het keukengerei. Grijpend naar houvast in een eindeloze door haar gecreerde roze wereld. Snakkend naar adem in haar eindeloze door haar gecreerde roze wereld. En uiteindelijk uitgeleidend in haar eindeloze door haar gecreerde roze wereld, maar ook een beetje fristi. Nep-roze vermengde zich met ijzig rood, de tegels begonnen te blozen. Het lijkt er op dat er nog een paar extra worsten moeten worden gemaakt. Een roze wolk dreef de kamer in, roze is de duivel, roze is de duivel, roze is ook zuivel. Maar fristi uit een blauw glas is niet roze. Ik hoorde papa de trap aflopen, het vetmes lag naast mijn aan de tuintafel vastgefrituurde hand. De piepende deur gaat open, de roze wolk verdwijnt en maakt plaats voor het de roze kale plek van mijn papa. De tegels beven groen, gitzwart groen, als lillend gif in een open wond. Zijn ogen lijken op die van de dieren die ik zie paseren op de maandag ochtend om half 7, vernomen van leven, enkel nog leed. En ik dan papa? En ik dan? Wie streelt mijn haar en zegt dat het goed komt? Wie graaft met mij naar diepe tranen? Waar moet ik mijn koffers neerzetten? Wie schenkt mijn fristi, zogezegd, in een kristalhelder bierglas? Papa praat met zijn blik, alleen kan ik het niet echt begrijpen, de blik druipt van helder vocht, zo helder, hier zou ik mijn fristi uit willen drinken. Wie moet mij vertellen dat papa elke avond wel echt terugkomt? Wie vraagt aan mij of ik dromen heb, of ik iets wil maken van mijn leven, he, papa? Wie geet er een blauw duimjen? en wie subcribte? Wat als het niet 10+ is, papa, wat als het niet 10+ is, papa, papa, papa! Bestaat het dan wel voor mij of voor jou, papa? GODNAKENDE JUS D’ORANGE WAT IS HIER GEBEURD, HAHA? Is de eerste comment onder de video van Pieter Visser.



Frictiefictie

Er zou eens een hertje zijn. Een hertje zonder stippen, maar toch een vrouwtje. Stiploos was haar naam, en iedereen zag haar stippen niet. Heel de dag lag ze in de schaduw van een groot appartementencomplex, met gras dat niet hoger groeide dan haar hoefjes. Vaak keek ze naar de halfbakken zon die achter het appartementencomplex torende. ‘Zou de zon ook stippen hebben,’ vroeg ze zich af. Roerig wachtte ze dan een antwoord af, maar de zon dook net weg achter het complex. Daar kwam Pintje aangelopen, in haar volle stippenglorie. Pintje schoof langs het grasdek zonder ook maar een blik vanonder haar sluike manen te werpen op Stiploos. ‘Vieze stinkhoer,’ dacht Stiploos tussen haar dromerige hersenspinsels over zonnenstippen door. Ze zocht verloren de raampjes van de appartementen af naar een ontsnapping van Pintje’s elegantie. Maar natuurlijk was daar niet aan te ontkomen. In elk raampje werd de stippenglorie weerspiegelt op het netvlies van Stiploos. ‘Vulgaire pad’. Pintje was alweer verderop, de ramen van het complex veranderden weer in grijs. De zon stopte zichzelf in onder de wolkendeken en maakte plaats voor een aardige hoosbui. Stiploos waste zichzelf in de rijke regen en Pintje sprintte de bosrand binnen, weg was ze. Stiploos voelde haar stiploze huid, hoe het water langs haar oortjes sijpelde, haar vel wat strakker werd. Ze werd overspoeld met het nat van het machtige wolkensap, alsof de zon met een reden was toegedekt. Ze bekeek haar vochtige vacht, raakte met haar hoefje elk haartje, elke porie, elk hoekje, elke ronding. Was ze wel een vrouwtje?

Kleine Sandra op driehoog, van wie de moeder haar net had ingestopt, keek langs haar bedrand naar de stippen die zich vormden op haar slaapkamerraam. Op de vensterbank stond het verlepte boeketje in oma’s kristallen vaas. De weerspiegeling van de stippen in oma’s vaasje vormden een speels patroon, als ogen die haar continu aanschouwden. Kleine Sandra op driehoog bleef vastgenageld aan haar matras, maar haalde haar blik niet van de grof geplukte afrikaantjes. Dirk van de dertiende had haar die ochtend op weg naar school ingehaald met een zweem van slaapmeur inclusief de toen al verwelkte geur van grof geplukte afrikaantjes, die hij had weten te nestelen tussen zijn kleine worstenvingertjes met nog een restje pindakaas eraan gekleefd. ‘Hier, voor jou’, sliste hij tussen de holte van zijn gele melktandjes, een nieuwe dimensie toegevoegd aan de zweem van slaapmeur, wat zich uitte in een afkeurende manoeuvre van Kleine Sandra op driehoog. Holle ogen als stippen staarde haar verwachtingsvol aan. Het vaasje bedelde om erkenning, om gevuld te worden met iets van meer kaliber. Kleine Sandra van driehoog stond op uit bed en draalde naar haar slaapkamerraam, om het vaasje te verlossen van de last die het draagt, het te ontladen van dat minderwaardige kaliber. Ze veegde ondertussen argeloos met de mouw van haar pyjama de stippencondens van het raam weg. Bij de tweede slag van haar mouw dook een silhouet in het kort gewiekte gazon beneden op. De schaduw lag sierlijk in het natte gras, betoverend rolde het hoopje frivool door de trage regen. Tijd dringt voor schone daden, wassend haar onschuldige water in haar handen, is zij een mens, onvolledig deel van het geheel? Dit heet een positief geluid, het heeft jaren moeten duren, dacht Kleine Sandra op driehoog. Ze zou ook uren willen blijven liggen, na deze paar minuten statig zweven dalen, hoe geurig het gras is, hoe vol het leven.

Stiploos staat op en draaft stilletjes weg naar haar bossige verlaat.